26 juni 1994

Plotseling slaat de paniek toe,

Bang van de klok die in m’n nek

Slaat, van het leven dat

Veel te snel verder gaat. Altijd

Haat en onbegrip opgeroepen in deze

Tijden, vergeet noch verwijt de

Dingen die ik al nauwelijks meer

Voelen kan -altijd bijna-, verroer

Me niet en stik in de woorden die

Beschrijven hoe we de orde enkel

Kennen kunnen als we de chaos voelen.

 

Ik zoek mijn ochtendrust weer veel

Te dronken en te laat, praat tegen

Mezelf tot de kleuren veranderen en

Vogels mee beginnen te ouwehoeren.

 

’s Middags staren deze woorden me

Liefdevol aan vanaf het papier als

De klank van cimbalen heel licht

Door me heenruist, een zachte

Trilling in een leeg hol, vol

Geluiden. Als dit gedicht te

Cru klinkt, sla het om, maakt

Niet uit. Zekerheid vind je

Tenslotte niet uit jezelf,

Maar in jezelf.

 

Zo wordt alles dan langzaam rood

En snotgroen tegelijk. De grote

Woorden zijn achterhaald en er

Is geen denken aan.

 

Denken is uit.

Dichter